Archives

Ketelwagen Methylisocyanaat – Plasbrand

Algemene beschrijving
Een plasbrand ontstaat doordat de ketel van de ketelwagen openscheurt na bijvoorbeeld een botsing. Hierdoor stroomt een groot deel van de Methylisocyanaat in korte tijd uit. De vloeistof verspreidt zich over het spoorbed. Ontsteking van de plas leidt tot een korte hevige brand.

Effecten
De effecten van een plasbrand zijn warmtestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan. De omvang van de giftige wolk is afhankelijk van de inrichting van de omgeving en de weersomstandigheden.

Bij verbranding van Methylisocyanaat komt een giftige rookwolk (stikstofdioxide en blauwzuurgas) vrij. De effectafstand van deze wolk is niet bepaald.

Als de Methylisocyanaat niet ontsteekt dan dampt de plas uit en leidt dit tot het scenario giftige wolk. Het scenario giftige wolk bij spoor transport Methylisocyanaat is hier beschreven.

 

Toon alle gedetailleerde informatie Verberg alle gedetailleerde informatie

Parameters effectberekeningen
 Modelleringssoftware
Effectsfile
TNO Effects. 11.5.1: Pool evaporation: Pool fire; Two zone model Rew&Hulbert
Uitgangspunten  
Stofnaam Methylisocyanaat
Stofcategorie LT4 [1]
Totale vrijgekomen massa 7000 kg [[bron opzoeken]]
Oppervlak plasbrand 600 m2
Omgevingstemperatuur 9 °C
Windrichting West
Windsnelheid D5 (neutraal weer, windsnelheid 5 m/s) 
Blootstellingduur personen 20 s
Observatie hoogte 1,5 m
Resultaten  
Duur van de plasbrand 5 minuten
Max. diameter van de plasbrand 28m
Lengte van de vlammen 25m
Temperatuur van de vlammen 700 oC
 Hittestralingsintensiteit 53 kW/m2 helder deel van de vlam
27 kW/m2 roetend deel van de vlam
Kans van optreden

De kans op een plasbrand Methylisocyanaat na een ongeval met een ketelwagen wordt bepaald door de kans op een ongeval, de kans op een grote uitstroom en de correctie voor brandbare stoffen.  Deze kans wordt per ketelwagen, per jaar, per wagenkilometer geschat op [2]:

    basis grote uitstroom brandbaar scenario
Baanvaksnelheid <40 kmh Zonder wissels 1.4 x 10 -8 0.032 1 = 1.5 x 10 -9
Met wissels 4.7 x 10 -8 0.032 1 = 3.4 x 10 -9
Baanvaksnelheid >40 kmh Zonder wissels 2.8 x 10 -8 0.032 1 = 1.1 x 10 -10
Met wissels 6.1 x 10 -8 0.032 1 = 3.8 x 10 -10

Factoren die de kans van optreden verkleinen zijn:

  • Baanvaksnelheid verlagen;
  • Inrichting van het spoor optimaliseren (bijvoorbeeld door het beperken van wissels);
  • Het aantal transportbewegingen verminderen.
Effecten

De effecten van een plasbrand zijn warmtestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan. Warmtestraling is in combinatie met de blootstellingsduur bepalend voor het slachtoffer- en schadebeeld.

In de onderstaande tabellen zijn de effecten van warmtestraling weergegeven. De tabel effectafstanden en gevolgen geeft 3 ringen aan. Binnen de eerste ring komt 99% van de aanwezigen te overlijden. In de tweede ring komen aanwezigen te overlijden of kunnen slachtoffer worden. In de derde ring vallen geen doden maar kunnen aanwezigen nog wel slachtoffer worden. De grens van de derde ring geeft aan tot waar eerstegraads brandwonden kunnen voorkomen. Afhankelijk van de afstand tot het ongeval en de bescherming van bijvoorbeeld gebouwen komen mensen te overlijden (†) of raken gewond: van zeer zwaargewond (T1) tot lichtgewond (T3). Het type trauma is brandwonden over een groot deel van het lichaam. De schade aan objecten varieert van onherstelbare schade tot lichte schade. De effectafstanden zijn berekend vanaf de tankwagen. Daarnaast wordt het verwachte percentage slachtoffers van de in een gebied aanwezige personen weergegeven.

De tabel effectafstanden en gevolgen is aangevuld met de onderliggende grafieken met het verloop van letaliteit (percentage doden) versus afstand, warmtestraling versus afstand en hittestralingscontouren. 

Tabel effectafstanden en gevolgen [3]

Effectafstand
(meter)
Warmtestraling
(kW/m2)
Slachtoffers buiten
(0 % bescherming)
Slachtoffers buiten zomerkleding
(40 % bescherming)
Slachtoffers buiten winterkleding
(85 % bescherming)
T1T2T3T1T2T3T1T2T3
1e ring ≤ 20≥ 3510000010000098200
Grens 1e ring: 99% letaal
203599100100000158510
2e ring20 tot 3535 tot 10341205220260526291252
Grens 2e ring: 1% letaal3510110871108701187
3e ring35 tot 5010 tot 4000330003300033
Grens 3e ring: 1% 1e grd brw 504000100010001
Effectafstand
(meter)
Warmtestraling
(kW/m2)
Schade aan objectenSlachtoffers binnen (0% bescherming)
T1T2T3
1e ring ≤ 20≥ 35Onherstelbare schade
Alle brandbare materialen gaan branden
209029
Grens 1e ring2035113044
2e ring20 tot 3535 tot 10Gemiddelde schade
Brandhaarden, vervorming van hout en kunststof.
Breuk dubbelglas tot 35 meter.
2009
Grens 2e ring35100000
3e ring35 tot 5010 tot 4Lichte schade
Geen branden, afbladderen verf en ernstige verkleuringen.
Breuk enkel glas tot 50 meter.
0000
Grens 3e ring5040000

Grafiek letaliteit vs. afstand [4]

Grafiek warmtestraling vs. afstand

Contouren warmtestraling

Zelfredzaamheid en Handelingsperspectief

Aanwezige personen zijn na het ontstaan van een plasbrand op zichzelf en anderen aangewezen. In onderstaande afbeelding zijn mogelijke handelingsperspectieven weergegeven. [5]

Mogelijk handelingsperspectief

Afhankelijk van de situatie en de inrichting van de omgeving kan het handelingsperspectief verschillen. Snel reageren is bevorderlijk.

  • Voor personen buiten is het handelingsperspectief vluchten (uit het zicht van de brand, onder dekking van objecten zoals muren).
  • Als er schuilmogelijkheden zijn, is dekking zoeken of een schuilplaats binnen gaan een goed handelingsperspectief.
  • Voor personen binnen is het handelingsperspectief binnen blijven en schuilen (sluiten van binnendeuren vertraagt de uitbreiding van een eventuele brand).
  • Als secundaire branden optreden, is het handelingsperspectief vluchten aan de schaduwzijde van het gebouw ten opzichte van de plasbrand (extra beschermende kleding beperkt de blootstelling).

Randvoorwaarden

De onderstaande aspecten zijn mede bepalend voor de mogelijkheden op het gebied van zelfredzaamheid. Deze zijn locatie afhankelijk en staan in relatie tot elkaar.

Verloop van het scenario:

  • Bij dit scenario worden toxische rookgassen gevormd bij brand. Het uitgangspunt is dat deze vanwege de pluimstijging bij de brand verwaarloosbaar zijn.
  • De snelheid waarmee het scenario plasbrand zich voltrekt is afhankelijk van het ontstekingsmoment.
  • Na ontsteking zijn direct of in korte tijd de effecten merkbaar en duurt de brand niet langer dan 5 minuten.

Herkenbaarheid van het scenario:

  • Een plasbrand is door zijn hitte ontwikkeling direct waarneembaar voor de aanwezigen. 
  • Als de plas nog niet ontstoken is, is het mogelijke gevaar niet direct herkenbaar anders dan een stekende geur. In dit geval is sprake van het scenario giftige wolk.

Mate van bewustzijn van de gevaren:

  • Weten dat er een ongeval is met een spoorketelwagon methylisocyanaat
  • Weten wat de gevaren zijn van methylisocyanaat
  • Weten wat je moet doen in geval van een (dreigende) plasbrand

Gesteldheid van personen:

  • Fysieke gesteldheid
  • Geestelijke gesteldheid

Aanwezige voorzieningen:

  • Mogelijkheden om van de bron af te vluchten
  • Mogelijkheden om te schuilen
Optreden Multidisciplinaire hulpverlening

Brandweerzorg 

Bij het ontstaan van dit scenario komt de hulpverlening op gang. Bij de bestrijding van dit scenario ligt de nadruk op afschermen, uitbreiding voorkomen en blussen van secundaire branden.
In onderstaande tabellen is beschreven welke processen op gang komen en welke aspecten relevant zijn.

Relevante brandweerprocessen

  • Bron- en emissiebestrijding
    – Bepalen van het bron- en effectgebied;
    – Voorkomen van uitbreiding en beperken van effecten door
       middel van het afschermen van de omgeving;
    – Stabiliseren van het incident en ontstane branden in de
       omgeving blussen;
    – Waarschuwen bevolking. [6]

  • Redding:
    – Redden en verlenen van eerste hulp aan slachtoffers (zie slachtoffers). 

  • Ontsmetting:
    – Ontsmetten mens, dier, vaartuigen en infrastructuur

Relevante aspecten

  • Repressieve voorbereiding en snelle alarmering (zie capaciteit);
  • Opkomsttijd van de brandweer (zie opkomst/inzettijd).
  • Afweging maken tussen blussen of uit laten branden. Uitbranden heeft geringere toxische effecten.
  • Toegankelijkheid gebied vanuit twee zijden [7]
  • Effectieve (grootschalige) bluswatervoorziening (zie bluswatervoorzieningen)
  • Dekkend systeem voor snelle alarmering hulpdiensten en aanwezigen in het effectgebied. [8]
  • Voorkomen van verspreiding van product (door vervuild blusschuim)

Capaciteit [9]:

  • Benodigde omvang slagkracht is afhankelijk van de omgeving. Bij dit incident is uitgegaan van verstedelijkt gebied [10][11].  
  • Houdt rekening met 1-4 (basispeloton) tankautospuiten, 2 hoogwerkers  en een schuimbluseenheid(SVM-eenheid) voor de plasbrand.
  • Een schuimbluseenheid of crashtender wordt ingezet ten behoeve van het afdekken van de vloeistofplas [12]
  • Houdt rekening met de inzet van een peloton (4  tankautospuiten)  voor redding/evacuatie en hulpverlening aan slachtoffers naar het gewondennest. [13]
  • Houdt rekening met de inzet van en tweede peloton( 4 tankautospuiten) voor het koelen/blussen  van omliggende bebouwing [14]
  • De meetplanorganisatie wordt ingezet ten behoeve van het meten van aanwezigheid van verbrandingsproducten in het effectgebied.

Opkomst/inzettijd [15]

Schematische weergave incident verloop grootschalig brandweer optreden

30 minuten

·        Norm opkomsttijd eerste peloton.
         De start van de hulpverlening van 1-4 tankautospuiten wordt vastgesteld via het dekkingsplan [16].
·        Norm opkomsttijd eerste twee meetploegen(VE)

45 minuten

·        Beschikbaarheid aanvullend tweede peloton met een richttijd van 8 uur inzettijd

60 minuten

·        Inzettijd aanvullende grootschalige watervoorziening.
·        Inzettijd schuimbluseenheid(SB)

Bluswatervoorziening 

  • Het waterleidingnet met ondergrondse brandkranen (primaire bluswatervoorziening) heeft onvoldoende capaciteit.
  • Voldoende openbare secundaire bluswatervoorziening  is noodzakelijk  ten behoeve van het afdekken van de plas met schuim. De norm voor spoorincidenten met gevaarlijke stoffen is 6000 l/min. [17].

Indicatie bepaling capaciteit slachtoffers [18]

  • In de hectische fase komt via burgerhulp de redding op gang van slachtoffers met brandwonden. Na ontsteking duurt de brand 30 minuten. De prioriteit zal uitgaan naar het helpen vervoeren van slachtoffers naar het gewondennest van de ambulance.
  • Noodzakelijke opschaling/bijstand wordt bepaald op basis van inschatting aantal slachtoffers.
  • Een indicatiebepaling van het aantal personen op een specifieke locatie is mogelijk via het invoeren van de effectafstanden in Bag populatieservice.

Geneeskundige zorg

De geneeskundige hulpverlening start met de processen

  • Spoedeisende Medische Hulpverlening:[19
    – Triage;
    – Inrichten van een gewondennest en behandelen van slachtoffers;
    – Vervoeren/Verwijzen naar ziekenhuizen.
  • Publieke gezondheidszorg:
    – De beoordeling van en maatregelen tegen schadelijke invloeden op de gezondheid via (drink)water (gebiedsafhankelijk).
    – Onderzoek individueel
  • Psychosociale Hulpverlening:
    – Signaleren getroffenen
    – Verwijzen getroffenen

Relevante aspecten zijn

  • Operationele voorbereiding op het vervoer en behandelen van slachtoffers bij een incident met Methylisocyanaat.
  • Mogelijkheid om te kunnen keren/vertrekken voor ambulances op de locatie.
  • Na een plasbrand verlenen omstanders hulp. Een deel van de slachtoffers komt als zelfverwijzer op de eerste hulp.
  • Veilige werklocatie voor de GHOR.
  • Aantal slachtoffers, type slachtoffers en type letsel. Deze zijn locatie afhankelijk en staan in relatie tot elkaar.

 

Aantal slachtoffers

<10
  • In beginsel zijn voldoende middelen op de ambulances aanwezig.  Voor specialistische hulpverlening aan kinderen zijn minder hulpmiddelen aanwezig waardoor middelen snel zijn uitgeput.
> 10
  • Het LPCGBI treedt in werking [20].
  • De leidraad GGB kan in werking worden gesteld. [21]
> 250
  • De grens wordt bereikt van het aantal slachtoffers dat kan worden vervoerd. Uitgegaan wordt van 250 slachtoffers waarvan 25 T1, 75 T2 en 150 T3. [22]

Type slachtoffers

  • Aandachtspunt is operationele voorbereiding op het behandelen van kinderen met ernstige brandwonden (locatiespecifiek). Dit vereist een aangepast gewondenspreidingsplan. [23]
  • Aandachtspunt is hulp aan verminderd zelfredzame personen (zorginstellingen).

Type letsel

  • Door warmtestraling ontstaan uitwendige brandwonden. Bij inademing van hete gassen ontstaat inhalatietrauma.
  • Stabilisatie van brandwondenslachtoffers is mogelijk in elk level 1 ziekenhuis  [24]. Specialistische behandeling van brandwonden kan in een beperkt aantal centra in Nederland plaatsvinden [25].
  • Extra aandacht bij de operationele voorbereiding is noodzakelijk bij verhoogde kans op slachtoffers uit de groep van ouderen en kinderen.

Een langdurig traject van nazorg restletsel en psychotrauma  [26] is te verwachten.

Optreden politie

De politie start met de processen

  • Afzetten en afschermen
    – Afzetten effectgebied
    – Creëren veilige werkomgeving voor hulpdiensten
    – Ontruimen van het effectgebied of aanwezige personen in het effectgebied laten schuilen.
  • Mobiliteit
    – Indien nodig begeleidend transport overige hulpverleners als de verkeerssituatie daarom vraagt
    – Opstellen mobiliteitsplan.
    – Indien mogelijk informeren van bewoners en/of andere aanwezigen in het gebied.

Indien relevant
– Handhaven openbare orde
Strafrechtelijke handhaving

Relevante aspecten bij het optreden van de politie

  • De politie heeft geen beschermende kleding of ademlucht om op te kunnen treden en kunnen daarom niet opereren in blootgesteld gebied.
  • Operationele voorbereiding op het afzetten van een groot effectgebied.
  • Voldoende mensen en middelen om het effectgebied te kunnen evacueren en af te kunnen zetten.

 

Optreden gemeente (Hulpverlening)

Mogelijke taken

Gemeente

  • Opvang en verzorging van personen uit het effectgebied
  • Voorlichting/communicatie over het ongeval
  • Registreren van slachtoffers

Randvoorwaarden

Gemeente

  • Operationele voorbereiding op het opvangen en verzorgen van personen uit het effectgebied
  • Voldoende locaties en personeel voor de opvang en verzorging van personen uit het effectgebied
  • Operationeel voorlichting- en communicatieplan
Maatregelen

Kans

Maatregel Werking van de maatregel
 Wegnemen van de risicobron of routering Het wegnemen van de risicobron neemt de kans op het scenario weg. Routering zorg ervoor dat op bepaalde trajecten het risico wordt weggenomen waardoor lokale veiligheid wordt verhoogd.
Aandacht voor venstertijden  Het invoeren van venstertijden reduceert de kans op ongevallen op het spoor. 

Effect en gevolg

Maatregel Werking van de maatregel
Afstand houden tot activiteit met gevaarlijke stoffen Dicht bij de plaats van het scenario zijn de effecten het meest merkbaar. De warmtestraling neemt af naarmate de afstand toeneemt.
Verdeling typen gebouwen Door rekening te houden met het type bebouwing kan het aantal mogelijke slachtoffers bij het scenario worden beperkt. Dat kan bijvoorbeeld door het zodanig verdelen van gebouwen in een gebied dat de meer kwetsbare gebouwen worden beschermd door minder kwetsbare gebouwen.
Hoogteverschillen creëren en benutten Brandende vloeistoffen verspreiden zich naar het laagste punt in de omgeving. Door hoogteverschil aan te brengen, kan voorkomen worden dat de plasbrand zich kan verspreiden naar het te beschermen gebied. Hoogteverschillen kunnen gecreëerd worden door wallen of het op afschot leggen van oppervlak.
Ballastbed of droge greppel aanleggen In een ballastbed/greppel/(droge) bermsloot langs transportroutes voor gevaarlijke stoffen kunnen (brandende) vloeistoffen worden opgevangen om verspreiding naar de omgeving tegen te gaan.
Scherm/keerwand aanbrengen Door een scherm met aaneengesloten funderingsvoet, keerwand of andere obstakels zoals een stoeprand te plaatsen tussen de activiteit met gevaarlijke stoffen en het te beschermen gebied, kunnen brandende vloeistoffen worden gestopt voordat ze het gebied bereiken. 
Toepassen van brandwerend metselwerk De keuze van het metselwerk bepaalt de brandwerendheid van de gevel. 
Gebruik maken van minerale wolisolatie Minerale wolisolatie is onbrandbaar.
Toepassen van brand- en hittewerende beglazing Brand- en hittewerende beglazing bestaat uit gelaagd glas, samengesteld uit twee of meer lagen blank floatglas en één of meer speciale opschuimende tussenlagen. In geval van brand vormen deze tussenlagen een beschermend schild.
Gebruik maken van houten en stalen kozijnen Houten en stalen kozijnen zijn getest voor een brandwerende toepassing. Kunststof kozijnen (zonder stalen vulling) zijn niet brandwerend.
Gebruik maken van dakpannen Dakpannen houden straling tegen en zijn onbrandbaar.
Toepassen van een gesprinklerde buitengevel Bij een gesprinklerde buitengevel wordt water automatisch over de gevel gespoten in geval van een calamiteit.
Riolering geschikt maken voor opvang Het rioolstelsel kan gebruikt worden voor snelle opvang van gevaarlijke stoffen. In het rioolstelsel dienen wel voorzieningen aangebracht te worden waardoor gevaarlijke stoffen zich niet vrij kunnen verspreiden. Daarbij is extra aandacht nodig voor mogelijke ontsteking met kans op brand en explosie. 

Zelfredzaamheid

Maatregel Werking van de maatregel
Duidelijke vluchtroutes aanbrengen Door duidelijke vluchtroutes aan te brengen kunnen mensen het gebied gemakkelijker verlaten. 
Verzamelplaatsen bepalen en geschikt maken voor een (dreigende) plasbrand De verzamelplaats dient dan als een schuilplaats als mensen binnen in het gebouw niet meer voldoende beschermt zijn tegen het scenario.
Galerij / trappenhuis aan de schaduwzijde van een gebouw plaatsen Door de galerij/trappenhuis aan de schaduwzijde van een gebouw te realiseren, vormt het gebouw zelf een bescherming tegen de warmtestraling
Risicocommunicatie Door te communiceren over de mogelijke scenario’s in een gebied met betrekking tot het handelingsperspectief, worden mensen zich meer bewust van wat ze moeten doen bij het scenario.
Onderhouden schuilplaatsen en vluchtwegen Onderhoud van schuilplaatsen en vluchtwegen is belangrijk, zodat ten alle tijden van een ongeval de schuil- en vluchtmogelijkheden bereikbaar en inzetbaar zijn.
De (bedrijfs)noodplannen oefenen op een plasbrand  Door te oefenen met het plasbrandscenario in de (bedrijfs)noodplannen weten de werknemers wat ze moeten doen in het geval van een echte calamiteit.

Hulpverlening

Maatregel Werking van de maatregel
Bluswater Voor een adequate hulpverlening van de brandweer is het van belang dat voldoende bluswater aanwezig is bij de activiteit met gevaarlijke stoffen. Door de waterbron onderdeel te laten zijn van een doorlopend watersysteem, wordt het water steeds aangevuld.
Waarschuwingsmiddelen Voor een snelle en effectieve waarschuwing tijdens een ongeval met gevaarlijke stoffen is het van belang dat een waarschuwingssysteem de mensen in het effectgebied kan bereiken.
Werkende communicatiemiddelen Tijdens een ongeval met gevaarlijke stoffen vindt veel van de communicatie plaatst via radio, internet en telefoon. Het is hierbij van belang dat zendmasten op afstand van de activiteiten met gevaarlijke stoffen staan, zodat deze ook tijdens een ongeval werken.
Afstemming hulpdiensten Het handelingsperspectief dat aan mensen wordt geboden ten tijde van een ongeval met gevaarlijke stoffen moet worden afgestemd met de inzet van hulpdiensten, zodat de inzet van de hulpdiensten kan aansluiten bij dit handelingsperspectief.
Voorbeeld

Suggesties voor een beter voorbeeld kunnen gemaild worden naar info@scenarioboekev.nl 

  1. Methylisocyanaat is een voorbeeldstof voor LT4 transport. Het is niet bekend dat de stof in Nederland wordt getransporteerd.
  2. HART versie 1.1 hoofdstuk 9.4., 1 april 2015
  3. Onderbouwing-van-de-slachtofferinschatting-van-het-scenarioboekEV.
  4. Afstanden op basis van geen bescherming en buitenshuis.
  5. In deze beschrijving wordt uitgegaan een plasbrand. Mocht de plas nog niet zijn ontstoken is er meer tijd voor het handelingsperspectief.
  6. goed werkend internet en mobiele telefonie, buurten ten behoeve van zelfredzaamheid, risicocommunicatieplan
  7. advies: spoordijk tweezijdig toegankelijk tot 100m. incident bij kwetsbare bebouwing in directe omgeving. Vluchtroute scheiden van route voor hulpdiensten, vluchtroute van de risicobron af Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019Hoofdstuk 4
  8. goed werkend internet en mobiele telefonie, buurtalarmeringssysteem ten behoeve van zelfredzaamheid, risico communicatieplan toxische wolk
  9. Verlies van capaciteit, die nodig is voor gelijktijdige redding of eerste hulp aan slachtoffers is buitenbeschouwing gelaten, doordat deze situationeel is.
  10. Bij buitengebied is geen afscherming naar omliggende gebouwen nodig
  11. De organisatie van de inzet van slagkracht is regionaal afhankelijk
  12. De hiervoor benodigde hoeveelheid schuimvormend middel voor een brandende plas van 600m2  is ca. 3300 l. Het oproepen van een specialistische schuimbluseenheid  kost <60 minuten voor een plas tot 1500m².
  13. Er bestaat kans op een scenario waarbij na niet directe ontsteking, afdekken van de plas nog mogelijk is. Ook dan is een aanvullend schuimblusvoertuig  noodzakelijk. De hiervoor benodigde hoeveelheid schuim is ca. 330 l. Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019bijlage 3. De inzet van een tweede peloton is dan niet noodzakelijk
  14. Koelen/blussen vindt plaats aan twee zijden van de spoordijk. Hiervoor is een peloton en grootschalige bluswatervoorziening noodzakelijk.
  15. Visie Grootschalig Brandweer Optreden 2012-2016,
    Doorontwikkeling Grootschalig Brandweer Optreden(GBO) september 2018 visie 2.0, Leidraad IBGS
  16. Norm inzetbaarheid    eerste basispeloton (alle 4 tankautospuiten) is 30 minuten  doorontwikkeling Grootschalig Brandweeroptreden p20
  17. Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019bijlage 3
  18. Visie Grootschalig Brandweer Optreden 2012-2016 en Doorontwikkeling Grootschalig Brandweer Optreden(GBO) september 2018 visie 2.0
  19. De Nederlandse slachtofferregistratiekaart p.3. oktober 2006
  20. LPCGBI p.1 september 2013
  21. Leidraad GGB p.12 december 2015
  22. Leidraad GGB p.10 december 2015
  23. Voor kinderen is ander materiaal benodigd. Ouders en kinderen worden bij voorkeur bij elkaar geplaatst. Dit is een complexe factor in het gewondenspreidingsplan
  24.  landelijk netwerk acute zorg www.lnaz.nl 
  25. Beverwijk, Rotterdam, Groningen
  26. casus ” Het Hemeltje” Volendam